Om u een betere ervaring op onze website te geven, maken wij gebruik van cookies Voor meer informatie over hoe wij cookies gebruiken, kunt u ons privacybeleid raadplegen.

De klinische impact van SARS-CoV-2-varianten

Geplaatst op 16-02-2021 in Medisch


Virussen muteren, en dat geldt ook voor SARS-CoV-2. In dit artikel gaat het Infectious Diseases Team van DynaMed® in op een aantal varianten en hun klinische impact.

De ontdekking van SARS-CoV-2-varianten (mutaties) is misschien wel de minst verrassende bevinding in deze COVID-19-pandemie. Hoewel de term ‘mutatie’ misschien tot enige onrust kan leiden, is het een natuurlijke ontwikkeling die ontstaat als gevolg van het foutgevoelige replicatieproces van virussen. Omdat virussen zich snel reproduceren, kunnen zelfs binnen één geïnfecteerd individu diverse viruspopulaties bestaan. De meeste virusvarianten verdwijnen nog voordat ze ontdekt worden, en alleen degene met een selectief voordeel (zoals gemakkelijkere overdracht) zullen dominant worden in een populatie.

De vrees dat mutaties een virus dodelijker kunnen maken, is ook wijdverbreid. In de meeste gevallen zijn varianten van respiratoire virussen echter niet virulenter. Dat wil zeggen dat het onwaarschijnlijk is dat ze tot ernstigere ziekte en/of meer sterfgevallen leiden, omdat de kans minder groot is dat de zwaarst getroffen patiënten (met name degenen die overleden zijn) de ziekte aan anderen doorgeven. Dat betekent echter niet dat de SARS-CoV-2-varianten geen reden tot zorg zijn. De toename in overdraagbaarheid kan infectiebestrijdingsmaatregelen dwarsbomen en leiden tot meer ziekenhuisopnames en sterfgevallen, simpelweg doordat er meer infecties zijn. Daarnaast kunnen varianten die de immuniteit aantasten de mate van bescherming die door natuurlijke infectie of vaccinatie wordt verkregen verminderen. Daarnaast kunnen varianten de werkzaamheid van behandelingsmethoden en zelfs de nauwkeurigheid van diagnostische tests aantasten. Besmettelijke patiënten worden daardoor niet meer geïdentificeerd en geïsoleerd, wat de overdraagbaarheid nog verder vergroot.

De eerste variant van SARS-CoV-2, die een aminozuursubstitutie D614G in het spike-eiwit bevatte, dook al vroeg in de pandemie op. In juni 2020 had de D614G-variant de oorspronkelijke stam vervangen als de dominante wereldwijd circulerende stam. Een andere variant die bekend staat als B.1.1.7 werd in september 2020 in het Verenigd Koninkrijk ontdekt. In december 2020 werd deze tot “variant die zorgen baart” bestempeld, omdat het heel snel de dominante variant werd in de regio Londen. Op 31 januari 2021 was de variant al in 80 landen wereldwijd ontdekt, waaronder Nederland en België. De B.1.1.7-variant heeft 14 definiërende mutaties, waaronder een aantal in het spike-eiwit die tot een hogere bindingsaffiniteit met de ontvangende cel lijken te leiden. Een derde variant, bekend als de B.1.351-variant, werd in oktober 2020 in Zuid-Afrika ontdekt, en weer een andere werd voor het eerst ontdekt in januari 2021 bij reizigers uit Brazilië (B.1.1.28, later hernoemd tot P.1). Een aantal van dezelfde spikemutaties hebben zich spontaan in deze verschillende SARS-CoV-2-variantstammen geëvolueerd, wat suggereert dat de immunologische druk geleid kan hebben tot vergelijkbare selectie van deze varianten.

Het lijkt duidelijk dat deze specifieke SARS-CoV-2-varianten de overdraagbaarheid van het virus vergroten. Genetisch onderzoek en modelleringsstudies schatten dat de B.1.1.7-variant 50 tot wel 75 procent besmettelijker is, en waar lockdowns de overdracht van voorgaande SARS-CoV-2-stammen afremden, waren infectiebestrijdingsmaatregelen in het Verenigd Koninkrijk minder effectief in het tegengaan van de verspreiding van B.1.1.7. Er wordt intensief onderzoek verricht naar de manieren waarop verschillende mutaties deze varianten beïnvloeden.

Ondanks berichten in de media die het tegendeel beweren, is er tot nu toe geen bewijs dat deze varianten in verband kunnen worden gebracht met ernstigere ziekte of meer sterfgevallen. Een technische briefing van het Scientific Advisory Board for Emergencies in het Verenigd Koninkrijk rapporteert voorlopige resultaten van ongepubliceerde analyses die wijzen op een mogelijk verhoogd risico op overlijden bij de B.1.1.7-variant. Zonder toegang tot de primaire data en onderzoeksmethoden kunnen we deze conclusies echter niet onafhankelijk bevestigen.

Een aantal recente studies biedt inzichten in de doeltreffendheid van vaccins tegen de SARS-CoV-2-varianten. In een preprint-studie (non-peer-reviewed) met 20 vrijwilligers die elk twee doses van het Pfizer/BioNTech-vaccin (n=6) of het Moderna-vaccin (n=14) toegediend kregen, wekten beide mRNA-vaccins antilichamen op die in staat waren de SARS-CoV-2-varianten te neutraliseren. Plasma van gevaccineerde personen was echter minder doeltreffend in het neutraliseren van varianten met specifieke mutaties. Deze bevinding werd ook waargenomen in een preprint-onderzoek van Moderna dat aantoonde dat het aantal antilichamen dat in staat is de B.1.351-variant te neutraliseren met een zesvoud verminderde. Ondanks verminderde neutraliserende antilichamen, is de verwachting dat de vaccins wel leiden tot beschermende immuniteit tegen de huidige SARS-CoV-2-varianten. Moderna onderzoekt momenteel ook de eventuele voordelen van een boosterdosis van het vaccin tegen de varianten.

Het is moeilijk de klinische impact van de huidige en toekomstige SARS-CoV-2-variantstammen te voorspellen. Met de toename van de immunologische druk op het virus door de stijgende natuurlijke en door vaccins verworven immuniteit, zullen wellicht andere varianten ontstaan dan degene die we vandaag kennen. Brede genetische controle zal nodig zijn om varianten op te sporen en de klinische impact ervan te onderzoeken.

Open access informatie over COVID-19

Share this: